30 MEI 2008. - Besluit voorwaarden jacht

30 MEI 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend

Belgisch Staatsblad, 13 juni 2008

Inhoud

HOOFDSTUK I. - Definities
HOOFDSTUK II. - Algemene voorwaarden voor gewone jacht en bijzondere bejaging

HOOFDSTUK III. - Specifieke voorwaarden voor de verschillende wildcategorieën

HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor activiteiten die verband houden met de jacht

HOOFDSTUK V. - Slotbepaling

De Vlaamse Regering,

Gelet op artikel 20 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen;

Gelet op het Jachtdecreet van 24 juli 1991, gewijzigd bij het decreten van 21 december 2001, 30 april 2004, 7 mei 2004, 16 juni 2006;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 tot invoering van een afschotplan voor reewild, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 november 1996, 23 juni 1998, 14 april 2000 en 7 maart 2008;

Gelet op het advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek betreffende het op te maken Jachtopeningsbesluit 2008-2013, gegeven op 4 oktober 2007;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 7 februari 2008;

Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Jachtraad, gegeven op 9 april en finale versie 16 april 2008;

Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud, gegeven op 10 april en correcties op 15 april 2008;

Gelet op het advies van de Vlaamse Land- en Tuinbouwraad, gegeven op 10 april 2008;

Gelet op het advies van de in artikel 10 derde lid van het koninklijk besluit van 15 september 1924 tot inrichting van de officiële vertegenwoordiging van de landbouw bedoelde gewestelijke sectie van de Nationale Landbouwraad, gegeven op 8 april 2008;

Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 8 april 2008;

Gelet op het advies 44.472/3 van de Raad van State, gegeven op 20 mei 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur;

Na beraadslaging,

Besluit :


HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° decreet : het Jachtdecreet van 24 juli 1991;
2° agentschap : het Agentschap voor Natuur en Bos;
3° vogelrichtlijngebieden : speciale beschermingszones voor vogels, aangewezen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones als vermeld in artikel 4 van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 september 1996, 23 juni 1998 en 17 juli 2000;
4° vogelrijke gebieden : de gebieden, vermeld in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, die werden geselecteerd op basis van de aanwezigheid van 1 % van de geografische populatie van Noord-West-Europa van de soort of ondersoort van een bepaalde watervogel in dat gebied of het regelmatig voorkomen van concentraties van meer dan 20 000 watervogels in dat gebied;
5° afschotplan : een op verzoek van een houder van het jachtrecht jaarlijks, op grond van kwalitatieve of kwantitatieve elementen, door het agentschap vastgesteld aantal stuks wild van een bepaalde wildsoort dat in het jachtterrein van de jachtrechthouder mag worden geschoten;
6° roofvogels : roofvogels waarvan het bezit verenigbaar is met het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest;
7° erkende wildbeheereenheid : een wildbeheereenheid erkend op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 1998 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder afzonderlijke jachtterreinen vrijwillig tot grotere beheereenheden kunnen worden samengevoegd en van de criteria waaronder beheereenheden kunnen worden erkend;
8° beheerplan kleinwild : een wildbeheerplan, door een jachtrechthouder of een groep jachtrechthouders vierjaarlijks in te dienen of ingediend bij het agentschap, dat de volgende documenten bevat :
a) een lijst van de jachtrechthouders en de oppervlakte van het jachtterrein of de jachtterreinen;
b) een situatieplan van het jachtterrein of de jachtterreinen op schaal 1/10 000 of 1/25 000);
c) biotoopbeschrijving - grondgebruik;
d) wildstand;
e) omschrijving van de beheersdoelstellingen;
f) omschrijving van de beheersmaatregelen;
9° wildrapport : jaarlijkse lijst van de op basis van tellingen geschatte voorjaarsstand en van de absolute afschotcijfers van patrijs, haas en fazant;
10° bijzondere bejaging : de jachtactiviteiten die, buiten de gewone openingstijden, maar onder bijkomende voorwaarden, afzonderlijk toegestaan worden binnen bepaalde, aanvullende openingstijden, als dat noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, weiden of eigendommen, voor het natuurbeheer of voor de veiligheid van het luchtverkeer;
11° duivencarrousel : een aan de grond verankerd en door een krachtbron aangedreven mechanisme, waardoor een ronddraaiende beweging veroorzaakt wordt bij aan metalen armen vastgemaakte lokvogels, met als doel de effectiviteit van die lokvogels als lokmiddel te verhogen.


HOOFDSTUK II. Algemene voorwaarden voor gewone jacht en bijzondere bejaging


Afdeling 1. Voorwaarden inzake de weidelijkheid van jachtmethoden

Art. 2. § 1. Behalve voor de bijzondere bejaging op waterwild en op overig wild is het verboden te jagen in velden waarop zich graangewassen of andere korrel- of zaaddragende planten bevinden, rijp of rijpend te velde of gemaaid, die op de grond liggen, tenzij het gaat om velden met maïs, met gras of voeder van alle aard, met bieten, aardappelen, rapen of andere planten die niet geteeld worden met het oog op graan- of zaadopbrengsten, of om velden met gebonden, rechtgezette of opgehoopte graan- en zaadgewassen, of met herfstbezaaiingen.

§ 2. Het is verboden te jagen op waterwild op minder dan 200 meter van een voederplaats waarop, minder dan één maand voordien, granen of andere lokvoeders worden gebruikt of werden aangebracht.

De aanleg van voederplaatsen op minder dan 100 meter van de grens van een jachtterrein, zoals aangeduid op het neergelegd jachtplan, of van een erkend reservaat, zoals aangeduid in het desbetreffende ministerieel besluit, is eveneens verboden, tenzij in onderlinge toestemming tussen de betrokken jachtrechthouders of na toestemming van de betrokken beheerders van het erkende reservaat.

§ 3. Het is verboden te jagen op vogels waarvoor de jacht geopend is maar die nog niet vliegvlug zijn.

§ 4. Met uitzondering van de jacht op reewild is het verboden om te jagen bij sneeuw, welke ook de hoeveelheid sneeuw is die de grond bedekt op de locatie waar er wordt gejaagd.

Bij zeer harde of langdurige vorst schorst de minister tijdelijk de jacht, na overleg met het bureau van de Vlaamse Hoge Jachtraad.

Art. 3. Volgende jachtmethoden en jachtmiddelen zijn verboden :
1° het gebruik van levende lokvogels;
2° het gebruik van duivencarrousels;
3° het gebruik van honden met het oog op vossenjacht binnen een straal van vijftig meter rond een vossen- of dassenburcht;
4° het gebruik van hazewindhonden;
5° het gebruik van meute en paarden;
6° het gebruik van veerklemmen; ook het bezit en de verhandeling van veerklemmen is verboden.

Art. 4. De jachtrechthouder dient bijzondere aandacht te besteden aan de veiligheid en de verenigbaarheid van afzonderlijke jachtactiviteiten met andere recreatieve activiteiten in het buitengebied.

De gewone jacht met een vuurwapen die plaatsgrijpt op zondag dient ten laatste 24 uur op voorhand gemeld te worden op een elektronisch meldpunt, daartoe opgezet door het agentschap. Op basis van de gegevens geïnventariseerd op het meldpunt inzake de zondagjacht zal er na één jaar een evaluatie gebeuren en zal onderzocht worden of de regeling voor de zondagjacht moet bijgestuurd worden.


Afdeling 2. Algemene voorwaarden voor bijzondere bejaging

Art. 5.
Elke concrete activiteit van bijzondere bejaging wordt door de jachtrechthouder vooraf aan het agentschap gemeld per e-mail of per fax. Daarvoor gebruikt hij een meldingsformulier volgens een model dat is vastgesteld door het hoofd van het agentschap.

Behalve voor de melding van een bijzondere bejaging op grofwild moet de melding een motivering bevatten met betrekking tot het type en de vermoedelijke omvang van de schade die de jachtrechthouder wil voorkomen of beperken, of de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren en met betrekking tot de andere preventieve of schadebeperkende maatregelen die reeds genomen zijn.

De bejaging mag op zijn vroegst een aanvang nemen hetzij na ontvangstbevestiging van deze melding, hetzij vanaf 24 uur na deze melding.

Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bijzondere bejaging en kan, naar aanleiding van de melding of van het toezicht, de jachtactiviteit beperken of verbieden.


Afdeling 3. Gewone jacht in vogelrijke gebieden

Art. 6. § 1. Met betrekking tot vogelrijke gebieden stellen de er actieve wildbeheereenheden en jachtrechthouders, in gezamenlijk overleg met de verenigingen die in dat vogelrijk gebied erkende reservaten beheren of met de overheden die in het vogelrijk gebied bos- of natuurreservaten beheren, alsmede met de lokale landbouworganisaties, maatregelen voor die als oogmerk hebben om verstoring van de populaties watervogels waarvoor die gebieden zijn aangeduid, te vermijden, rekening houdende met de beschikbare gegevens inzake de verspreiding van watervogels in het betrokken gebied.

Deze maatregelen dienen onder meer betrekking te hebben op het instellen van rust- en fourageerzones, maar kunnen daarnaast ook andere beschermingsmaatregelen omvatten. Binnen de voorgestelde rust- en fourageerzones geldt een volledig jachtverbod op waterwild en, zo nodig, op kleinwild.

§ 2. De Minister, bevoegd voor het Natuurbehoud, stelt een handleiding vast waarin het basisfeitenmateriaal, de methodologische richtlijnen en een formulier vervat zijn die de wildbeheereenheden en jachtrechthouders in kwestie in staat moeten stellen een geschikt voorstel van zones, perioden en maatregelen op te maken.

Als de vogelrijke gebieden overlappen met vogelrichtlijngebieden waarvoor er ook instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, moeten die zones, perioden en maatregelen overeenstemmen of in overeenstemming gebracht worden met de instandhoudingsdoelstellingen die er gelden.

§ 3. De in § 1 beschreven voorstellen van maatregelen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de minister.

Vooraleer een beslissing te nemen legt de minister deze voorstellen voor advies voor aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die adviseert over de verenigbaarheid van de voorgestelde maatregelen met de goede staat van instandhouding van de te beschermen vogelsoorten.

§ 4. Ingeval de ingediende voorstellen van maatregelen in consensus tot stand gekomen zijn tussen de in § 1 vernoemde groepen, neemt de minister een beslissing binnen de drie maanden na ontvangst van deze voorstellen. Tot zolang wordt de jacht in het betrokken vogelrijke gebied, behalve voor grofwild, opgeschort van 15 november tot en met 28 of 29 februari. In voorkomend geval kan de jacht op grofwild er alleen plaatsvinden van zonsopgang tot zonsondergang.

Bij een negatieve beslissing kunnen de actieve erkende wildbeheereenheden en jachtrechthouders, na het benodigde overleg met de verenigingen die erkende reservaten beheren of overheden die in het gebied bos- of natuurreservaten beheren, alsmede met landbouworganisaties, een nieuw dossier indienen.

Indien de minister geen beslissing neemt binnen de drie maanden na indiening van de in het eerste lid vermelde consensusvoorstellen, worden deze voorstellen van maatregelen geacht te zijn goedgekeurd.

§ 5. Als er over het beheer van het vogelrijk gebied geen overeenstemming werd bereikt tussen de in § 1 vernoemde groepen, neemt de minister een beslissing op basis van de door de betrokken groepen ingediende voorstellen. Zolang de minister voor het betrokken vogelrijk gebied geen beslissing genomen heeft over in te stellen rust- of fourageerzones of andere beschermingsmaatregelen, wordt de jacht in het betrokken vogelrijke gebied, behalve voor grofwild, opgeschort van 15 november tot en met 28 of 29 februari. In voorkomend geval kan de jacht op grofwild er alleen plaatsvinden van zonsopgang tot zonsondergang.

§ 6. De ministeriële beslissing inzake een maatregelenpakket ten aanzien van een vogelrijk gebied kan ten hoogste voor vijf jaar gelden, waarna de betrokken groepen een nieuw voorstel moeten indienen volgens de hiervoor beschreven procedure.


HOOFDSTUK III. - Specifieke voorwaarden voor de verschillende wildcategorieën


Afdeling 1. Jacht op grofwild

Art. 7. § 1. De jacht op grofwild mag alleen worden beoefend :
1° met het vuurwapen;
2° bij bersjacht of bij aanzitjacht;
3° met drijfjacht, in het geval van bijzondere bejaging, na toestemming van het agentschap.

De aanzitjacht op wilde zwijnen en reeën mag worden beoefend vanaf een uur vóór de officiële zonsopgang tot een half uur na de officiële zonsondergang.

§ 2. Bij de jacht op grofwild is het gebruik van honden verboden.

Om het zweetspoor van een gekwetst dier na te zoeken en uit te werken, is het gebruik van een speciaal daartoe afgerichte leihond toegestaan.


Art. 8. § 1. De jacht op edelherten, damherten, wilde zwijnen en moeflons mag alleen worden uitgeoefend op basis van een goedgekeurd afschotplan dat het maximum- en het minimumaantal te schieten dieren bepaalt, zo nodig onderverdeeld volgens het geslacht, de leeftijd of andere kenmerken.

In het afschotplan kan het afschot beperkt worden of aan voorwaarden onderworpen worden, onder meer met betrekking tot de te gebruiken jachtwijzen en jachtmiddelen.

§ 2. Om een goedgekeurd afschotplan te verkrijgen, dient de houder van een jachtrecht per aangetekende brief een aanvraag in, met ten minste de vermelding van het aantal in het jachtveld aanwezige dieren, het daartoe voorgenomen aantal te schieten dieren en het aantal geschoten dieren gedurende de laatste drie jaar.

De aanvraag wordt opgemaakt met een formulier waarvan het model goedgekeurd is door het hoofd van het agentschap. De aanvraag moet worden ingediend minstens twee maanden voor de jacht geopend wordt op het wild waarop de aanvraag betrekking heeft.

Het agentschap deelt zijn beslissing mee per aangetekende brief binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.

§ 3. Voor elk geschoten dier vult de jachtrechthouder een meldingsformulier in volgens een model dat vastgesteld is door het hoofd van het agentschap. Het meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt binnen een week na het afschot naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder.

Art. 9. § 1. De jacht op reewild mag alleen worden beoefend als het jachtterrein ofwel minstens 250 ha bos of kleine landschapselementen omvat, ofwel minstens 1 000 ha groot is. Deze bepaling is niet van toepassing op de erkende wildbeheereenheden.

§ 2.

Het hoofd van het agentschap kan evenwel afwijkingen toestaan van de criteria tot bepaling van het afschot voor reewild, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 tot invoering van een afschotplan voor reewild, voor zover dat gebeurt ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek met toepassing van artikel 33 van het decreet, en in consensus met de betrokken wildbeheereenheid.

Art. 10. § 1. De bijzondere bejaging op edelherten, damherten, moeflons en wilde zwijnen kan enkel worden uitgeoefend onder de volgende specifieke voorwaarden :
1° door de jachtrechthouder en zijn genodigden;
2° van een uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang;
3° als er een daartoe opgemaakt afschotplan werd toegekend.

De aanvraag tot toekenning van een afschotplan voor de bijzondere bejaging van edelherten, damherten, wilde zwijnen of moeflons is met redenen omkleed. De aanvraag bevat onder meer een omstandige beschrijving van het type en de omvang van de schade die de jachtrechthouder beoogt te voorkomen of te beperken, dan wel de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren.

Het agentschap deelt zijn beslissing tot weigering of tot, al of niet voorwaardelijke, goedkeuring mee binnen tien dagen na de ontvangst van de aanvraag. De beslissing van het agentschap is met redenen omkleed, waarbij verwezen wordt naar het type en omvang van de schade die voorkomen of beperkt moet worden, dan wel naar de natuurwaarden en ecologische processen waarvan de vrijwaring beoogd wordt, evenals naar de aard en de omvang van de betrokken populatie grofwild en naar de ecologische draagkracht van de terreinen waarin dit wild zich doorgaans ophoudt.

§ 2. Een afschotplan met betrekking tot een bijzondere bejaging op edelherten, damherten, wilde zwijnen of moeflons wordt toegekend voor een periode van ten hoogste drie maanden.

§ 3. In specifieke situaties en ten behoeve van het natuurbeheer kan in het daartoe opgemaakte afschotplan tevens een bijzondere bejaging toegestaan worden vanaf één uur na zonsondergang tot één uur voor zonsopgang.

§ 4. Voor elk geschoten dier vult de jachtrechthouder een meldingsformulier in volgens een model dat vastgesteld is door het hoofd van het agentschap. Het meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt binnen een week na het afschot naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder.


Afdeling 2. Jacht op kleinwild

Art. 11. De jacht op kleinwild mag alleen worden beoefend met het vuurwapen of met roofvogels.

Aer. 12. § 1. Voor de jacht op kleinwild zijn een wildrapport en een beheerplan klein wild verplicht.

§ 2. Het beheerplan klein wild wordt ingediend bij het agentschap uiterlijk drie maanden voor de opening van de jacht van de soorten, vermeld in het eerste lid. Als het wildbeheerplan niet tijdig is ingediend, wordt de jacht voor deze wildsoorten en de jachtterreinen in kwestie op zijn vroegst geopend drie maanden na de indiening van het wildbeheerplan.

Het beheerplan klein wild is geldig gedurende een periode van maximum vier jaar en vervalt wanneer de jachtrechthouder niet langer over het jachtrecht beschikt.

De jachtrechthouder dient het wildrapport jaarlijks tegen 1 april in bij het agentschap per aangetekende brief. Hij maakt daarvoor gebruik van het modelformulier, vastgesteld door het hoofd van het agentschap. Als het wildrapport niet tijdig is ingediend door de jachtrechthouder, wordt de jacht op de soorten, vermeld in § 1, niet geopend in het daaropvolgende jachtseizoen voor de gronden waarop hij het jachtrecht heeft.

§ 3. De bepalingen van § 1 en § 2 zijn niet van toepassing op de erkende wildbeheereenheden.

§ 4. Indien het patrijzenbestand of het hazenbestand in een bepaald jachtterrein ongunstig is, kan agentschap er de jacht voor de betrokken kleinwildsoort doen sluiten, wanneer er in dat jachtterrein onvoldoende maatregelen genomen worden met het oog op de verbetering van dat bestand, en indien dat in aangrenzende jachtterreinen wel in voldoende mate gebeurt. Het agentschap motiveert zijn beslissing op grond van het wildrapport en het beheerplan kleinwild voor het betrokken en de omliggende jachtterreinen of op grond van de jaarlijkse afschotstatistieken en wildinventarisatiegegevens alsook op het wildbeheerplan voor de betrokken en de omliggende jachtterreinen, als vermeld in artikel 2, tweede lid, 5° en 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 1998 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder afzonderlijke jachtterreinen vrijwillig tot grotere beheereenheden kunnen worden samengevoegd en van de criteria waaronder beheereenheden kunnen worden erkend.


Afdeling 3. Jacht op waterwild

Art. 13. De jacht op waterwild mag alleen worden beoefend met het vuurwapen of met roofvogels.

Art. 14.De jacht op waterwild is verboden op of op een afstand van minder dan 100 meter langs moerassen, waterplassen en waterlopen waarvan de oppervlakte en bijbehorende rietkragen langs de oevers voor meer dan de helft met ijs zijn bedekt.

Art. 15. De bijzondere bejaging op kieviten kan enkel worden uitgeoefend onder de volgende specifieke voorwaarden :
1° binnen de grenzen van de burgerlijke vliegvelden in Antwerpen-Deurne, Brussel-Nationaal, Oostende en Wevelgem en de militaire vliegvelden in Melsbroek, Goetsenhoven, Koksijde en Peer (Kleine-Brogel) alsook Schietterrein Helchteren;
2° op aanvraag en onder toezicht van de beheerder van de vliegvelden, vermeld in 1°, die de bijzondere bejaging kan beperken of verbieden, rekening houdend met de bestaande populaties;
3° voor zover andere middelen, zoals auditieve of visuele afschrikkingsmiddelen, hebben gefaald.

Art. 16. De bijzondere bejaging op wilde eenden, Canadese ganzen en grauwe ganzen, kan enkel worden uitgeoefend onder de volgende specifieke voorwaarden :
1° door de jachtrechthouder en zijn genodigden;
2° op de graslanden, of op en rond de percelen met graangewassen of koolgewassen, met uitzondering van maïs, waar die wildsoorten schade kunnen aanrichten;
3° van één uur voor zonsondergang tot één uur na zonsondergang. In de perimeter van de vogelrijke gebieden of vogelrichtlijngebieden mag die jacht alleen plaatsvinden van één uur voor zonsondergang tot zonsondergang;
4° na voorafgaand schriftelijk verzoek vanwege de gebruiker van de graslanden, andere dan permanente graslanden,of van de percelen met graangewassen of koolgewassen, waarin deze te vrijwaren graslanden en percelen met graangewassen of koolgewassen beschreven worden en waarbij aannemelijk wordt gemaakt dat de schade voorkomen moet worden door bijzondere bejaging.


Afdeling 4. Jacht op overig wild

Art. 17. De jacht op overig wild mag alleen worden beoefend met het vuurwapen en met roofvogels, of, wat de jacht op wilde konijnen betreft, met fretten en buidels.

Art. 18. Vossen mogen niet bejaagd of geschoten worden binnen een straal van vijftig meter rond de vossen- en dassenburchten.

Art. 19. De bijzondere bejaging op houtduiven en konijnen kan enkel worden uitgeoefend onder de volgende specifieke voorwaarden :
1° door de jachtrechthouder en zijn genodigden;
2° op en binnen een zone van maximaal 50 meter rond percelen, beplant met koolgewassen, vlas, bonen, erwten, cichorei, aardbeien, suikerbieten, knolselder, wortelen, witloof, boomkwekerijteelten, kersenboomgaarden en graangewassen, met uitzondering van maïs, waar die wildsoorten schade kunnen aanrichten;
3° na voorafgaandelijk, tot de jachtrechthouder gericht schriftelijk verzoek vanwege de eigenaar van de teelten die gevrijwaard moeten worden van schade.


HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor activiteiten die verband houden met de jacht


Afdeling 1. Voorwaarden waaronder bestrijding kan plaatsvinden


Art. 20. § 1. De verboden jachtmiddelen en jachtmethoden, vermeld in artikel 3, kunnen ook niet ingezet worden in het kader van bestrijding. De houtduif kan wel bestreden worden met behulp van duivencarrousels.

Jaagbare wildsoorten worden eveneens bestreden met roofvogels.

Het wild konijn mag eveneens bestreden worden met fretten en buidels.

Vossen kunnen bestreden worden met kastvallen met een maximumvolume van 1000 dm3, waarin de gevangen dieren zich vrij kunnen bewegen en die, in gesloten toestand, in de zijwand ter hoogte van het maaiveld minstens één vrije opening hebben waarbinnen een cirkel met een diameter van ten minste 6,5 cm kan worden beschreven.

Vossen mogen niet bestreden worden binnen een straal van vijftig meter rond de vossen- en dassenburchten. De burchten mogen bij de bestrijding op generlei wijze betreden of verstoord worden, zoals het uitgegraven of vergraven worden of onder water of onder een andere stof in gasvormige, vaste of vloeibare toestand gezet worden.

§ 2. De bestrijding van grauwe ganzen, Canadese ganzen, konijnen en houtduiven onder de voorwaarden van artikel 22 van het decreet is het hele jaar toegestaan in de vogelrijke gebieden, voor zover er sprake is van ernstige schade aan gewassen en op plaatsen waar geen andere bevredigende oplossing bestaat.

§ 3. De bijzondere veldwachters die geslaagd zijn voor een officieel jachtexamen, mogen met het geweer de stand van houtduiven, wilde konijnen en vossen op het jachtterrein van hun aanstellers het hele jaar door reguleren.

De bijzondere veldwachters die voor 1 juli 1992 zijn aangesteld om de stand van houtduiven, wilde konijnen en vossen met het geweer te reguleren op het jachtterrein van hun aanstellers, mogen die regulering blijven voortzetten zolang zij in dienst blijven op het jachtterrein van hun huidige aanstellers.

§ 4. De eigenaar of de grondgebruiker meldt elke bestrijdingsactiviteit vooraf per e-mail of fax, aan het agentschap, opdat dat het nodige toezicht zou kunnen uitoefenen, en zo nodig de bestrijding zou kunnen verbieden. Deze melding kan betrekking hebben op afzonderlijke bestrijdingsactiviteiten of op een bestrijdingskalender. Voor deze melding wordt er een meldingsformulier gebruikt volgens een model, vastgesteld door het agentschap.

De bestrijding mag op zijn vroegst een aanvang nemen hetzij 24 uur na de melding, hetzij na ontvangstbevestiging van deze melding.

§ 5. De ambtenaar, vermeld in artikel 22, tweede lid, en artikel 24, derde lid, van het decreet, wordt aangewezen door het agentschap.

§ 6. Het op grond van artikel 22 van het decreet gedode wild moet worden aangeboden tegen aanbodbewijs aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de bestrijding plaatsvindt.


Afdeling 2. Voorwaarden voor afwijkingen omwille van natuurbeheer of onderzoek

Art. 21. § 1. Om redenen van natuurbeheer, met name ter bescherming van kleinwild of ter bescherming van soorten die op grond van artikel 51 van het decreet van 21 oktober 1997 als beschermingswaard worden aangemerkt, kunnen er populatieregulerende acties ondernomen worden ten aanzien van verwilderde katten.

§ 2. Wanneer er met betrekking tot verwilderde katten, voor het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, sensibiliserende of andere maatregelen vastgesteld worden in uitvoering van artikel 51 van het Decreet van 21 oktober 1997 op het Natuurbehoud en het Natuurlijk Milieu, dan zijn deze maatregelen, voor zover relevant, bepalend voor de reguleringsacties die er in het kader van dit besluit ten aanzien van verwilderde katten kunnen genomen worden.

§ 3. De populatieregulerende acties, vermeld in § 1, dienen het voorwerp uit te maken van hetzij een beheerplan kleinwild, hetzij van een wildbeheerplan in de zin van artikel 2, tweede lid, 5e, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder afzonderlijke jachttereinen vrijwillig tot grotere beheereenheden kunnen worden samengevoegd en van de criteria waaronder beheereenheden kunnen worden erkend.

De minister kan voor deze reguleringsacties en deze beheerplannen, wat dat betreft, nadere regels vaststellen.

§ 4. De jachtrechthouders of medejachtrechthouders, de grondeigenaars, de grondgebruikers en de door de jachtrechthouders aangestelde bijzondere veldwachters zetten, binnen de voorwaarden zoals bepaald in vorige paragraaf, alle diervriendelijke en pijnloze middelen om de populatie van verwilderde katten in hun jachtgebied te reguleren.

Zij kunnen hierbij onder meer gebruik maken van kastvallen met een maximumvolume van 1 000 dm3, waarin de gevangen dieren zich vrij kunnen bewegen en die, in gesloten toestand, in de zijwand ter hoogte van het maaiveld minstens één vrije opening hebben waarbinnen een cirkel met een diameter van ten minste 6,5 cm kan worden beschreven.

De populatieregulering van verwilderde katten met het geweer is slechts toegelaten tot en met het jachtseizoen van 2009-2010, tenzij er, na een daartoe doorgevoerde wetenschappelijk onderbouwde evaluatie, zou blijken dat een verderzetting van deze vorm van populatieregulering noodzakelijk is om redenen van natuurbeheer. De populatieregulering van verwilderde katten met het geweer mag bovendien enkel gebeuren voor zover alle hiervoor beschreven pijnloze en diervriendelijke oplossingen om de verwilderde katten te vangen zijn ingezet en hebben gefaald, en voor zover een afstand wordt gerespecteerd van minstens 200 meter van bewoonde woningen.

§ 5. Verwilderde katten mogen niet gereguleerd worden binnen een straal van vijftig meter rond de vossen- en dassenburchten.

Art. 22. De Jachtrechthouders of medejachtrechthouders, de grondeigenaars, de grondgebruikers en de door de jachtrechthouders aangestelde bijzondere veldwachters mogen, ten behoeve van het natuurbeheer en na schriftelijke melding aan het agentschap, eieren van de Canadese gans en de grauwe gans schudden, rapen of vernielen.

De personen, vermeld in het eerste lid, mogen, na schriftelijke melding aan het agentschap, de grauwe gans en de Canadese gans ten behoeve van het natuurbeheer doden of laten doden :
1° met vuurwapens door personen die in het bezit zijn van een geldig jachtverlof;
2° door afvangen met behulp van netten tijdens de periode van 1 juni tot en met 14 juli.

Art. 23. Het agentschap kan, met toepassing van artikel 20 of 33 van het decreet, afzonderlijke vergunningen verlenen voor jachtactiviteiten die buiten de voorwaarden, vermeld in dit besluit, vallen, om redenen van natuurbeheer of omwille van wetenschappelijk onderzoek.

Art. 24. Over het op grond van de bepalingen van deze afdeling gedode wild moet binnen de week aan het agentschap worden gerapporteerd met betrekking tot de geschoten en gevangen aantallen, alsook over het tijdstip en de locatie van de vangst.


Afdeling 3. Voorwaarden inzake handel en vervoer

Art. 25. § 1. De wildhandelaren en de restaurantuitbaters mogen diepgevroren wild, dat behoort tot de categorie grof wild, of diepgevroren hazen, patrijzen of fazanten opslaan en vervoeren buiten de periode die loopt vanaf de opening van de jacht tot en met de tiende dag die volgt op de sluiting van de jacht op dat wild, op voorwaarde dat zij kunnen aantonen dat het wild van buiten het Vlaamse Gewest afkomstig is.

Bovendien mag diepgevroren reewild van 1 oktober tot en met 10 december onder dezelfde voorwaarden worden verhandeld.

§ 2. Edelherten en damherten mogen het hele jaar door worden geslacht, gedood en vervoerd als vermeld in het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de keuring van en de handel in vlees van gekweekt wild, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn uit de kweek en voor zover de herkomst ervan kan worden nagegaan met het Sanitelidentificatie- en registratiesysteem.

§ 3. In de periode dat het toegestaan is reeën te schieten en te vervoeren, is het vervoer alleen toegestaan mits de reeën gemerkt zijn met een label overeenkomstig artikel 9bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 tot invoering van een afschotplan voor reewild. Voor reeën die in een ander Belgisch gewest werden geschoten, moet een getuigschrift van een bevoegde autoriteit worden voorgelegd waaruit de herkomst van dat wild blijkt.

§ 4. In de periode dat men alleen fazantenhanen mag schieten en vervoeren, mogen de fazanten alleen worden vervoerd, te koop aangeboden, verkocht en gekocht, als minstens hun kop met pluimen bedekt is of als zij hun staartveren hebben behouden.

Art. 26. § 1. Het agentschap is belast met het toestaan van het vervoer van levend wild en eieren van wild buiten de daarop betrekking hebbende openingstijden, in toepassing van artikel 28 van het decreet.

§ 2. Het is verboden levende fazanten te vervoeren tenzij met vergunning, afgegeven door het agentschap, voor het vervoer van die levende vogels naar erkende slachterijen, naar wildbedrijven en naar plaatsen buiten het Vlaamse Gewest of om die vogels in te voeren bij kwekerijen die buiten een jachtterrein liggen.

Als er geen andere bevredigende oplossing bestaat om het behoud van de fazant binnen de wildbeheereenheid in kwestie te verzekeren, kunnen de eieren uit broedsels van de fazant waarvan het nest bedreigd is door maaiwerkzaamheden, overgebracht worden voor verdere uitbroeding, het opkweken en het zo snel als mogelijk maar uiterlijk voor 31 juli van hetzelfde kalenderjaar opnieuw in de natuur brengen van de jongen in hetzelfde jachtrevier waar de eieren werden verzameld. Het overbrengen van de eieren en jongen wordt door de jachtrechthouder gemotiveerd in een melding aan het agentschap.

Art. 27. Het vervoeren en in de handel brengen van boom- en steenmarters, bunzings, wezels of hermelijnen is verboden. In afwijking daarvan kan het agentschap vergunning verlenen voor het vervoer om redenen van natuurbeheer, wetenschappelijk onderzoek of andere educatieve doeleinden.

Het is verboden om grofwild in de handel te brengen vanaf de tiende dag die volgt op de opening van de periode van bijzondere bejaging op grofwild tot aan de sluiting van die periode.

Het is verboden smienten of kieviten in de handel te brengen.


HOOFDSTUK V. - Slotbepaling

Art. 28. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit.


BIJLAGE

Lijst van de vogelrijke gebieden, vermeld in artikel 1, 4°

1° het gebied, gelegen op het grondgebied van Maaseik en Kinrooi, begrensd door :
a) ten noorden : de Nederlandse grens van de Grensmaas tot de Witbeek;
b) ten oosten en ten zuiden : de Grensmaas van de Bleumerstraat tot de Nederlandse grens;
c) ten westen : de Witbeek tot de Geistingenstraat; de Geistingenstraat tot de Dalerstraat; de Dalerstraat tot de Maasstraat; de Maasstraat tot de Maasdijk; de Maasdijk tot de Leeuwerikstraat; de Leeuwerikstraat tot de Broekstraat; de Broekstraat tot de Leugenbrugweg; de Leugenbrugweg tot de Herenlakerweg; de Herenlakerweg tot Bleumerhoven; Bleumerhoven tot Bleumerpoort; Bleumerpoort tot Bleumerstraat ter hoogte van de Grensmaas;

2° het gebied, gelegen op het grondgebied van Herk-de-Stad en Lummen, begrensd door :
a) ten oosten : de Sint-Jorislaan tot de Stationsstraat; de Stationsstraat tot de Mangelbeek;
b) ten zuiden : het Zwartwater tot aan de Houwersbeek; de Houwersbeek tot de Herk; de Herk tot de Daelemstraat; de Daelemstraat tot de Beerbosstraat; de Beerbosstraat tot de Slapersstraat; de Slapersstraat tot de Neerstraat; de Neerstraat tot de Sint-Jorislaan;
c) ten westen : de Demer tot het Zwartwater;
d) ten noordwesten : vanaf de Mangelbeek tot aan de Hemelrijkstraat, van de Hemelrijkstraat tot de Mangelbeekstraat, van de Mangelbeekstraat tot de Schalbroekstraat, van de Schalbroekstraat tot de Goerebeek en van de Goerebeek tot de Demer;

3° het gebied, gelegen op het grondgebied van Heusden-Zolder, Zonhoven en Hasselt, begrensd door :
a) ten noorden : de A2 tot de Vogelsancklaan; de Vogelsancklaan tot de Nachtegalenstraat;
b) ten oosten : de Nachtegalenstraat tot de Korhaanstraat; de Korhaanstraat tot de Merelstraat; de Merelstraat tot de Wijvestraat; de Wijvestraat tot de Vierwijerestraat; de Vierwijerestraat tot de Boomsteeg; de Boomsteeg tot de Halveweg; de Halveweg tot de Kwakstraat; de Kwakstraat tot de Platwijersweg; de Platwijersweg tot de Slangbeekweg;
c) ten zuiden : de Slangbeekweg tot de Langvennestraat; de Langvennestraat tot het Albertkanaal; het Albertkanaal tot de Goorstraat;
d) ten westen : de Goorstraat tot de Massinweg; de Massinweg tot de Stokrooieweg; de Stokrooieweg tot de Schotelstraat; de Schotelstraat tot de Irislaan; de Irislaan tot de Heidestraat; de Heidestraat tot de Abelenlaan; de Abelenlaan tot de Zandstraat; de Zandstraat tot de Slogen; de Slogen tot de Vrunstraat; de Vrunstraat tot de Kluisstraat; de Kluisstraat tot de Lamb. Hoelenstraat; de Lamb. Hoelenstraat tot de Sint-Jobstraat; de Sint-Jobstraat tot de Kerkstraat; de Kerkstraat tot de Zwembadstraat; de Zwembadstraat tot de Schaltusstraat; de Schaltusstraat tot de A2;

4° het gebied, gelegen op het grondgebied van Genk, Diepenbeek en Hasselt, begrensd door :
a) ten noorden : de Berenbroekstraat vanaf het Albertkanaal tot de Kneippstraat; de Kneippstraat tot Holeven; Holeven tot de Hasseltweg; de Hasseltweg tot de Slagmolenweg; de Slagmolenweg tot de Stiemer;
b) ten oosten : de Stiemer tot het Albertkanaal;
c) ten zuiden : het Albertkanaal tot de Berenbroekstraat;

5° het gebied, gelegen op het grondgebied van de stad Antwerpen, begrensd door :
a) ten noorden : de Moerstraat vanaf het Groot Schijn-Voorgracht tot Rode Weel; Rode Weel tot de Poldervlietweg; Poldervlietweg tot de Rosdijkweg; de Rosdijkweg tot de Havenweg; het Groot Schijn-Voorgracht vanaf de Havenweg tot het Schoon Schijn;
b) ten oosten : het Schoon Schijn;
c) ten zuiden : het Schoon Schijn tot de Ekerse dijk; de Ekerse dijk tot de Noorderlaan; de Noorderlaan tot het Groot Schijn-Voorgracht;
d) ten westen : het Groot Schijn-Voorgracht;

6° het gebied, gelegen op het grondgebied van Willebroek, begrensd door :
a) ten noorden : de Rupel;
b) ten oosten : het Mattenstraatje tot de Rupel;
c) ten zuiden : de Heindonkse Steenweg tot de Stuyvenbergbaan; de Stuyvenbergbaan tot het Mattenstraatje;
d) ten westen : de Willebroekse vaart tot de Heindonkse Steenweg;

7° het gebied, gelegen op het grondgebied van Mechelen, begrensd door :
a) ten noorden : de Grote Nete;
b) ten oosten : de Spildorenbeek;
c) ten zuiden : de zuidgrens van de grote vijver; Generaal De Wittelaan; Emmausdreef tot Spildorenlaan; Spildorenlaan tot Spildorenbeek;
d) ten westen : de Dijle;

8° het gebied, gelegen op het grondgebied van Mechelen en Bonheiden, begrensd door :
a) ten noorden : de Mechelse Steenweg tot de Nieuwsstraat, de Nieuwsstraat tot de Putsesteenweg; de Putsesteenweg tot de Nekkerspoelstraat, de Nekkerspoelstraat tot de Dijle;
b) ten oosten : de Ter Doncklaan, de Bonheidensesteenweg tot de Muizenhoekstraat; de Muizenhoekstraat tot de Guldensporenlaan; de Guldensporenlaan tot de Mechelse Steenweg;
c) ten zuiden en ten westen : de Dijle;

9° het gebied, gelegen op het grondgebied van Beveren, Sint-Gillis-Waas en de stad Antwerpen, begrensd door :
a) ten noorden : de Schelde ter hoogte van de Nederlandse grens;
b) ten oosten : de Melseledijk tot de Kruisdijklaan, de Kruisdijklaan tot de Beverse dijk; de Beverse dijk tot de waterloop van de hoge landen; de waterloop van de hoge landen tot de Schelde;
c) ten zuiden : de N49 van de Provinciale Baan tot de Melseledijk;
d) ten noordwesten : de Nederlandse grens tot de Grensstraat in Kieldrecht; de Grensstraat tot de Kouterstraat; de Kouterstraat tot de Dorpsstraat; de Dorpsstraat tot de Molenstraat; van de Molenstraat tot de Molenhoekstraat; van de Molenhoekstraat tot de Polderstraat; van de Polderstraat tot de Lange Nieuwsstraat; van de Lange Nieuwsstraat tot de Kreek; van de Kreek tot de Kieldrechtse Baan; van de Kieldrechtse Baan tot de Verrebroekstraat; van de Verrebroekstraat tot de Provinciale Baan, van de Provinciale Baan tot de N49;

10° het gebied, gelegen op het grondgebied van Laarne, Berlare, Wichelen en Wetteren, begrensd door :
a) ten noorden : van de Burgveldstraat tot de Bergstraat; van de Bergstraat tot Uitbergsestraat; van de Uitbergsestraat tot de Vaartstraat;
b) ten oosten : van de Veerstraat tot de Molenstraat; van de Molenstraat tot de Burgveldstraat;
c) ten zuiden : de Schelde (Ringvaart) vanaf de Oude Schelde tot de Veerstraat;
d) ten westen : van de Vaartstraat tot de Wetterstraat; van de Wetterstraat tot de Weeldeuitweg; de straat die de Weeldeuitweg met de Oude Schelde verbindt; van de Oude Schelde tot de Schelde (ringvaart);

11° het gebied, gelegen op het grondgebied van Berlare, begrensd door :
a) ten noorden : de Donklaan;
b) ten oosten : de Donklaan tot de Broekse vaart;
c) ten zuiden : de waterloop die de Broekse vaart ter hoogte van het kruispunt met de Donklaan verbindt met de Voorste Sloot; van de Voorste Sloot tot de Broekdam; van de Broekdam tot het Papenbontstraatje;
d) ten westen : van het Papenbontstraatje tot de Brielstraat; van de Brielstraat tot de Donklaan;

12° het gebied, gelegen op het grondgebied van de gemeenten Lokeren en Waasmunster tussen :
a) de Oude Zelebaan, van de afrit van de autoweg E17 op het grondgebied van Lokeren tot aan de Zelestraat, de Zelestraat tot aan de Lepelstraat;
b) de Lepelstraat, vanaf de Oude Zelebaan, de Brugstraat tot aan de Durme, de Oude Bruglaan en de Rozenstraat tot aan de Steenweg Antwerpen- Gent, de Steenweg Antwerpen-Gent vanaf de Rozenstraat tot het kruispunt Heiken;
c) de Groenselstraat, vanaf de Steenweg Antwerpen-Gent (kruispunt Heiken), de Sousbeekstraat tot aan de Neerstraat, vervolgens de Neerstraat tot aan de autoweg E17;

13° het gebied, gelegen op het grondgebied van Knokke-Heist, begrensd door :
a) ten noorden : de Noordzee;
b) ten oosten : de Nederlandse grens;
c) ten zuiden : Oosthoekplein tot de Nieuwe Hazegrasdijk; de Nieuwe Hazegrasdijk tot de Hazegraspolderdijk; de Hazegraspolderdijk tot de Nieuwe Hazegraspolderdijk; de Nieuwe Hazegraspolderdijk tot de Internationale Dijk; de Internationale Dijk tot de Nederlandse grens;
d) ten westen : de Appelzakstraat tot de Zwinlaan; de Zwinlaan van de Appelzakstraat tot de Bronlaan; de Bronlaan tot het Oosthoekplein;

14° het gebied, gelegen op het grondgebied van Damme en Brugge, begrensd door :
a) ten noordoosten : het Leopoldkanaal vanaf de Ronselaerebeek tot de Oude Sluissedijk;
b) ten oosten : de Oude Sluissedijk tot Hulsterlo; Hulsterlo tot Konduitput; Konduitput tot Legeweg;
c) ten zuiden : van Legeweg tot Bonemstraat; Bonemstraat tot Branddijk; Branddijk tot Pijpeweg; van Pijpeweg naar Aardenburgse Weg; van Aardenburgse Weg tot Broekweg; van Broekweg tot Polderstraat; van Polderstraat tot Kanaal Brugge-Sluis; Kanaal Brugge-Sluis ter hoogte van de Polderstraat tot de Gemene Weidestraat; Gemene Weidestraat tot Brugse Steenweg; Brugse Steenweg tot Pauverleutestraat; Pauverleutestraat tot Ronselaerebeek;
d) ten noordwesten : de Ronselaerebeek;

15° het gebied, gelegen op het grondgebied van Jabbeke, Zuienkerke en Brugge, begrensd door :
a) ten noorden : de Mareweg tot de Molenweg; de Molenweg tot de Biezenstraat;
b) ten oosten : de Biezenstraat tot de Lege Moerstraat;
c) ten zuiden : het Kanaal Gent-Oostende;
d) ten westen : de Oosternieuwweg tot de Oosternieuwweg-Zuid; de Oosternieuwweg-Zuid tot de Mareweg;

16° het gebied, gelegen op het grondgebied van De Haan, begrensd door :
a) ten noorden : van Bromzwijn ter hoogte van het kruispunt van de Zandstraat met de Nieuwe Steenweg, tot Kromzwijn; van Kromzwijn tot de Bredeweg; van de Bredeweg tot de Kloosterstraat; van de Kloosterstraat tot de Vijfwegestraat;
b) ten oosten : de Vijfwegestraat vanaf de Kloosterstraat tot het kruispunt van de Brugse Baan met de Bredeweg;
c) ten zuiden : van de Bredeweg tot de Polderstraat; Polderstraat tot Dorpsstraat;
d) ten westen : de Dorpsstraat vanaf de Polderstraat, tot de Nieuwe Steenweg; van de Nieuwe Steenweg tot Bromzwijn ter hoogte van het kruispunt van de Zandstraat met de Nieuwe Steenweg;

17° het gebied, gelegen op het grondgebied van Oudenburg en Oostende, begrensd door :
a) ten noorden : de spoorlijn Brugge-Oostende;
b) ten oosten : het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort;
c) ten zuiden : de Zandvoordsestraat vanaf het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort tot de Zandvoordedorpstraat; Zandvoordedorpstraat tot de Kasteelstraat;
d) ten westen : de Kasteelstraat tot de Zandvoordsestraat; de Zandvoordsestraat tot de Stationsstraat; de Stationsstraat tot de spoorlijn Brugge-Oostende;

18° het gebied, gelegen op het grondgebied van De Haan, Zuienkerke en Blankenberge, begrensd door :
a) ten noorden : de Blankenbergsesteenweg tot de Koninklijke Baan; de Koninklijke Baan tot de Kemmelbergstraat; de Kemmelbergstraat tot de Scharebrugstraat; de Scharebrugstraat tot Blankenbergse Dijk; Blankenbergse Dijk tot de Ruiterstraat; Ruiterstraat tot Brugse Steenweg;
b) ten oosten : de Grote Watergang vanaf de Copsweg tot de Kruisilader; Kruisilader tot de Brugse Steenweg; Brugse Steenweg tot Ruiterstraat;
c) ten zuiden : de Doelhofstraat tot Kerkvliet; Kerkvliet tot de Blankenbergse Vaart; de Blankenbergse Vaart tot de Verloren Hooistraat; de Verloren Hooistraat tot de Copsweg; de Copsweg tot de Grote Watergang;
d) ten westen : de Brugsesteenweg vanaf de Doelhofstraat tot de Ringlaan; de Ringlaan tot de Blankenbergsesteenweg;

19° het gebied, gelegen op het grondgebied van Brugge, begrensd door :
a) ten noorden : de Kustlaan tot de Isabellalaan; Isabellalaan;
b) ten oosten : de Alfred Ronsestraat;
c) ten zuiden : de Havenrandweg-Zuid, de Alfred Ronsestraat;
d) ten westen : het Boudewijnkanaal;

20° het vogelrichtlijngebied Krekengebied, met uitzondering van de volgende gedeelten :
a) op het grondgebied van Assenede, het gedeelte ten oosten van de Zwartesluisbeek (Vlietbeek) vanaf de Nederlandse grens tot de Oude Molenstraat;
b) op het grondgebied van Sint-Laureins, het gedeelte begrensd door :
1) ten noorden : de Hontseindestraat;
2) ten oosten de Sint-Margrietestraat;
3) ten zuiden en ten westen : de Groenstraat;
c) op het grondgebied van Sint-Laureins, het gedeelte begrensd door :
1) ten noordoosten : de Kruispolderstraat;
2) ten zuidoosten, zuidwesten en westen : de Hontseindestraat;

21° het vogelrichtlijngebied IJzervallei;

22° de buitendijkse gebieden langs de volledige Zeeschelde en de getijgebieden van Durme, Rupel, Dijle en Nete; onder buitendijks gebied wordt verstaan het gebied tussen de laagwaterlijn en de winterdijk;

23° het gebied, gelegen op het grondgebied van Gent, begrensd door :
a) ten noorden : de Zandloperstraat vanaf de R4 tot de Brugse Steenweg;
b) ten oosten : de Brugse Steenweg tot de Rooigemlaan; de Rooigemlaan tot de Drongense Steenweg;
c) ten zuiden : de Drongense Steenweg tot de R4;
d) ten westen : de R4;

24° het gebied, gelegen op het grondgebied van Lier, Duffel, Rumst en Mechelen, begrensd door :
a) ten noorden : de Mechelsesteenweg ter hoogte van de R16 in Lier tot Liersesteenweg in Duffel; de Liersesteenweg tot de Vanderlindenlaan; de Vanderlindenlaan tot de Kiliaanstraat; de Kiliaanstraat tot de Leopoldstraat; de Leopoldstraat tot de Stationsstraat; de Stationsstraat tot de A. Stocquetlaan; de A. Stocquetlaan tot de Walemstraat; de Walemstraat tot de Varenstraat in Rumst; de Varenstraat tot de Mechelsesteenweg;
b) ten oosten : de R16 in Lier van de Waversesteenweg tot de Mechelsesteenweg;
c) ten zuiden : Lange Zandstraat in Walem tot Liersesteenweg; Liersesteenweg tot Mechelse Baan; Mechelse Baan tot Berkhoevelaan; Berkhoevelaan tot Oude Liersebaan; Oude Liersebaan tot Waversesteenweg; Waversesteenweg tot de R16 in Lier;
d) ten westen : de Mechelsesteenweg in Walem van de Varenstraat tot de Koning Albertstraat.

Haut de la page