28 OKTOBER 1987. - Besluitgebruik van vuurwapens en munitie bij de jacht in het Vlaamse Gewest

Belgisch Staatsblad, 14 november 1987

Artikel 1. Voor het uitoefenen van de jacht met vuurwapens zijn onderstaande vuurwapens en middelen verboden:

1° semi-automatische geweren waarvan het magazijn meer dan twee patronen kan bevatten;

2° geweren, voorzien van kunstmatige lichtbronnen of voorzieningen om de prooi te verlichten;

3° geweren, voorzien van een visier met beeldomzetter of een electronische beeldversterker of elk ander instrument om 's nachts te schieten;

4° geweren, voorzien van een geluidsdemper;

5° pistolen, automatische pistolen, machinepistolen en revolvers;

6° machinegeweren.

Art. 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 1 mogen alleen de onderstaande geweren worden gebruikt:

1° geweren met gladde loop van tenminste het kaliber 20 en ten hoogste 12;

2° geweren met getrokken loop met een nominaal kaliber uitgedrukt of omgerekend in millimeter van ten minste 5,6 mm;

3° geweren met gladde en getrokken loop die elk beantwoorden aan de in dit artikel gestelde grenzen voor een gladde respectievelijk getrokken loop.

Art. 3. § 1. Bij het jagen met geweren op de hierna opgesomde soorten en categorieën wild mag slechts gebruik worden gemaakt van de hiernavermelde soorten munitie voor het doden of afmaken van het desbetreffende wild:

a) jacht op grofwild:

1° voor reewild: kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de normale trefenergie minstens 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt;

2° voor overig grof wild (hert, everzwijn, mouflon, damhert): kogelpatronen voor getrokken loop met een nominaal kaliber, uitgedrukt of omgerekend in millimeter niet kleiner dan 6,5 mm, en waarvan de normale trefenergie bovendien minstens 2.200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt;

3° voor alle grof wild: voor de drijfjacht op grof wild zijn kogelpatronen voor gladde loop van het kaliber 20, 16 en 12 eveneens toegestaan;

b) jacht op klein wild: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 mm niet overschrijdt;

c) jacht op overig wild: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 4 mm niet overschrijdt of kogelpatronen van een nominaal kaliber uitgedrukt of omgerekend in millimeter van ten minste 5,6 mm.

§ 2. Van de in § 1 vermelde kogelpatronen worden uitgesloten fosfor- of lichtspoorkogels, patronen met een volmantel en kogels die niet vervormen bij het treffen.

Art. 3bis. § 1. Het gebruik van loodhagel en zinkhagel is verboden.

§ 2. Bij wijze van overgangsmaatregel is het gebruik van loodhagel tot 30 juni 2008 toegestaan buiten de volgende gebieden:

1° de terreinen, bedoeld in artikel 8, § 2, van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 en de aanpalende omgeving tot een straal van 50 meter vanaf de oevers rondom deze terreinen;

2° de waterrijke gebieden van internationale betekenis, gelegen in het Vlaamse Gewest, zoals bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

3° de gebieden, gelegen binnen de perimeter van de vogelrichtlijngebieden;

4° de door de Vlaamse regering aangeduide gevoelige gebieden waar verscherpte normering noodzakelijk is binnen de sub-hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;

5° de waterrijke gebieden zoals bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. (ing. B.V.R. 19 september 2003, art. 1, I: 26 oktober 2003)]

Art. 4. Overtredingen op dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 31ter van de jachtwet van 28 februari 1882.

Art. 5.(niet opgenomen)

(Worden opgeheven:

1° het koninklijk besluit van 11 september 1964 tot regeling van het gebruik van zekere projectielen met het oog op de uitoefening van de jacht;

2° het koninklijk besluit van 1 augustus 1966 tot regeling van het gebruik van zekere projectielen met het oog op de uitoefening van de jacht op de korhaan tijdens de balts)

Art. 6. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 7. De Vlaamse minister van Volksgezondheid en Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

Haut de la page